|
Regeling inzake het omgaan met een vermoeden van een misstand - ("klokkenluidersreglement")
goedgekeurd door de algemene vergadering van aandeelhouders d.d. 19 mei 2004
Hoofdstuk 1. Definities
Artikel 1.
In deze regeling wordt verstaan onder:
– de werknemer: degene die al dan niet in dienst werkzaam is ten behoeve van de vennootschap en haar
groepsmaatschappijen;
– de vennootschap: de naamloze vennootschap Fugro N.V.;
– de voorzitter van de Directie: de voorzitter van de Directie van de vennootschap;
– de voorzitter van de Raad van Commissarissen: de voorzitter van de Raad van Commissarissen van de
vennootschap;
– leidinggevende: degene die direct leiding geeft aan de werknemer;
– vertrouwenspersoon: degene die door de voorzitter van de Directie is aangewezen om als zodanig voor
de vennootschap en haar groepsmaatschappijen te fungeren;
– een vermoeden van een misstand: een op redelijke gronden gebaseerd vermoeden met betrekking tot
de onderneming, in verband met:
a. een (dreigend) strafbaar feit;
b. een (dreigende) schending van wet- en regelgeving;
c. een (dreiging van) bewust onjuist informeren van publieke organen;
d. een schending van binnen de onderneming geldende gedragsregels;
of
e. (een dreiging van) het bewust achterhouden, vernietigen of manipuleren van informatie over deze
feiten.
Hoofdstuk 2. Procedure
Artikel 2.
2.1 Tenzij sprake is van een uitzonderingsgrond als bedoeld in artikel 5 lid 2, meldt de werknemer
een vermoeden van een misstand intern bij zijn leidinggevende of indien hij melding aan zijn
leidinggevende niet wenselijk acht bij de vertrouwenspersoon. Melding aan de
vertrouwenspersoon kan ook plaatsvinden naast de melding aan zijn leidinggevende.
2.2. De leidinggevende of de vertrouwenspersoon legt de melding, met de datum waarop deze
ontvangen is, desgevraagd schriftelijk vast en laat die vastlegging voor akkoord tekenen door de
werknemer, die daarvan een afschrift ontvangt. De leidinggevende of de vertrouwenspersoon
draagt er zorg voor dat de voorzitter van de Directie onverwijld op de hoogte wordt gesteld van
een gemeld vermoeden van een misstand en van de datum waarop de melding ontvangen is en
dat de voorzitter van de Directie een afschrift van de vastlegging ontvangt.
2.3. De voorzitter van de Directie stuurt een ontvangstbevestiging aan de werknemer die een
vermoeden van een misstand heeft gemeld. In de ontvangstbevestiging wordt gerefereerd aan de
oorspronkelijke melding. Dit geldt ook indien de werknemer het vermoeden niet heeft gemeld aan
zijn leidinggevende maar aan de vertrouwenspersoon.
2.4 Onverwijld na de melding van een vermoeden van een misstand zal de Directie een onderzoek
starten.
2.5. De werknemer die het vermoeden van een misstand meldt en degene aan wie het vermoeden
van de misstand is gemeld behandelen de melding vertrouwelijk. Zonder toestemming van de
voorzitter van de Directie wordt geen informatie verschaft aan derden binnen of buiten de
vennootschap en haar groepsmaatschappijen. Bij het verschaffen van informatie zal de naam van
de werknemer niet worden genoemd en ook overigens de informatie zo worden verstrekt dat de
anonimiteit van de werknemer voor zover mogelijk gewaarborgd is.
Artikel 3.
3.1. Binnen een periode van acht weken vanaf het moment van de interne melding wordt de
werknemer door of namens de voorzitter van de Directie schriftelijk op de hoogte gebracht van
het standpunt van de Directie omtrent het gemeld vermoeden van een misstand. Daarbij wordt
aangegeven tot welke stappen de melding heeft geleid.
3.2. Indien het standpunt niet binnen acht weken kan worden gegeven, wordt de werknemer door of
namens de voorzitter van de Directie hiervan in kennis gesteld en aangegeven binnen welke
termijn hij een standpunt tegemoet kan zien.
Hoofdstuk 3. Melding aan de voorzitter van de Raad van Commissarissen
Artikel 4.
4.1. De werknemer kan het vermoeden van een misstand melden bij de voorzitter
van de Raad van Commissarissen, indien:
a) hij het niet eens is met het standpunt als bedoeld in artikel 3;
b) hij geen standpunt heeft ontvangen binnen de vereiste termijn, bedoeld in het eerste en
tweede lid van artikel 3;
c) de termijn, bedoeld in het tweede lid van artikel 3, gelet op alle omstandigheden onredelijk lang
is en de werknemer hiertegen bezwaar heeft gemaakt bij de voorzitter van de Directie, doch deze
daarop niet een kortere, redelijke termijn heeft aangegeven;
d) het vermoeden van een misstand een bestuurder van de vennootschap betreft, of
e) sprake is van een uitzonderingsgrond als bedoeld in het volgende lid.
4.2. Een uitzonderingsgrond als bedoeld in het vorige lid onder e doet zich voor, indien sprake is van
a) een situatie waarin de werknemer in redelijkheid kan vrezen voor tegenmaatregelen als gevolg
van een interne melding;
b) een eerdere interne melding conform de procedure van in wezen dezelfde misstand, die de
misstand niet heeft weggenomen;
4.3. De voorzitter van de Raad van Commissarissen legt de melding, met de datum waarop deze
ontvangen is, desgevraagd schriftelijk vast en laat die vastlegging voor akkoord tekenen door de
werknemer, die daarvan een afschrift ontvangt.
4.4. De voorzitter van de Raad van Commissarissen stuurt een ontvangstbevestiging aan de
werknemer die een vermoeden van een misstand heeft gemeld. Als de werknemer het vermoeden van misstand al eerder
heeft gemeld, dan wordt in de ontvangstbevestiging gerefereerd aan de oorspronkelijke melding.
4.5. Onverwijld wordt een onderzoek naar aanleiding van de melding van een vermoeden van een
misstand gestart.
4.6. De werknemer die het vermoeden van een misstand meldt en degene aan wie het vermoeden
van de misstand is gemeld behandelen de melding vertrouwelijk. Zonder toestemming van de voorzitter
van de Raad van Commissarissen wordt geen informatie verschaft aan derden binnen of buiten de
vennootschap en haar groepsmaatschappijen. Bij het verschaffen van informatie zal de naam van de werknemer
niet worden genoemd en ook overigens de informatie zo worden verstrekt dat de anonimiteit van de
werknemer voor zover mogelijk gewaarborgd is.
Artikel 5.
5.1. Binnen een periode van acht weken vanaf het moment van de interne melding wordt de
werknemer door of namens de voorzitter van de Raad van Commissarissen schriftelijk op de
hoogte gebracht van een inhoudelijk standpunt omtrent het gemeld vermoeden van een
misstand. Daarbij wordt aangegeven tot welke stappen de melding heeft geleid.
5.2. Indien het standpunt niet binnen acht weken kan worden gegeven, wordt de werknemer door of
namens de voorzitter van de Raad van Commissarissen hiervan in kennis gesteld en
aangegeven binnen welke termijn hij een standpunt tegemoet kan zien.
Hoofdstuk 4. Rechtsbescherming
Artikel 6.
De werknemer die met inachtneming van de bepalingen in deze regeling te goeder trouw een vermoeden
van een misstand heeft gemeld, wordt op geen enkele wijze in zijn positie benadeeld als gevolg van het
melden daarvan.
Hoofdstuk 5. Inwerkingtreding
Artikel 7.
Deze regeling treedt in werking op 8 maart 2004.
download het volledige artikel (pdf) 
|